Rakiura – Dag 1

Weer een nieuwe plek? Nee, we zitten nog steeds in Oban, de nederzetting in de Half Moon Bay van het zuidelijkste eiland – Stewart Island. Dat heet in de taal van de Maori Rakiura. Eigenlijk had het hele blog natuurlijk ook Aotearoa moeten heten en niet New Zealand. Dat is dan weer heel erg woke, daarmee links en dat is volgens de huidige politiek sfeer in Nederland (en veel delen van navelstaarderig Europa) fout. Maar ja, wie waren hier nu eerst? De Maori zetten hier al zo vroeg als in 1300 voet aan de grond (na Aotearoa overigens al rond het eerste millenium van onze jaartelling ontdekt te hebben), terwijl het tot de 17e eeuw duurde voordat Abel Tasman het als eerste Europeaan zag en tot de 19e eeuw voordat men daadwerkelijk het land begon te bewonen.

Maar wacht even: de Maori hebben het dus “al” rond het jaar 1000 ontdekt terwijl op het continent dat Abel Tasman compleet wist te missen (Australie) prehistorische vindplaatsen zijn die op menselijke activiteit duiden. Niet tienduizenden jaren, maar honderdduizenden jaren lang kon flora en fauna zich hier ontwikkelen, zonder lastig gevallen te worden door enig ander wezen dat als “niet-inheems” gekwalificeerd kan worden. Nou ja, de zeespiegel was bij tijd en wijlen wel wat lager, wat het vast makkelijker maakte voor soorten om te migreren naar dit paradijsje, maar reptielen en zoogdieren hebben de sprong nooit gewaagd. En dat heeft niet alleen geleid tot uitzonderlijk mooie fauna, maar ook bijzondere vogelsoorten.

Vandaag wandelen we het Ryan Creek Track. Het eerste deel is nog redelijk breed – een gravel weg, maar al snel lopen we over een echt track, door het dicht begroeide bos en horen we een kakofonie van onbekende vogelgeluiden. Ze lijken soms heel dichtbij, maar door de dichte begroeiing slagen we er slechts zelden in een te spotten. Daarbij hebben de vogels ook niet bepaald rust in de kont, dus fotograferen is laten we zeggen uitdagend. We zijn er in elk geval zeker van de Tui, met een mooie glanzend, diep blauw-zwart verendek, de Korimako, die door zijn groen-bruin-gele kleur bijna niet opvalt tussen de bladeren, en de Kekeru, wit met grijs-blauwe vleugels en kop, gezien te hebben. Welke vogel, de Kakariki of Kaka vermoed ik, het pamfluitachtige geluid voorbrengt, met soms bijna een octaaf toonverschil, kunnen we niet achterhalen, maar afgaande op het geluid is deze vogel in grote getale aanwezig.

Het pad loopt vlak langs de kust, staat geclassificeerd als “easy” en gaat dus flink op en neer. Het ene moment lopen we op gelijke hoogte met het water, iets verder zijn we meters hoger, wat fantastisch mooie doorkijkjes oplevert. Zelfs van een tiental meter boven het water is te zien hoe kraakhelder het water is. Onze horloges geven aan dat we ruim 100 trappen gelopen hebben – op sommige punten waren er overigens ook daadwerkelijk trappen in het pad – wat wel aangeeft hoeveel we op en neer zijn gegaan.

Kort na het einde van het track, kunnen we nog even een steile weg op naar Observation Rock. Het is even klimmen, maar dan heb je ook wat. We nemen foto’s, maar ik vraag me af of je ooit in een foto kunt vangen wat je dan ziet.

Terug in onze motel kamer pakken we nog even rust. Erg rustgevend is ook dat mijn telefoon weer besluit iets te doen. Gisteren, op weg van Newhaven naar Bluff, is mijn telefoon er spontaan mee opgehouden. Het is ook al een oudje, maar ja, ergens ben ik er toch wel aangehecht. Een nieuwe telefoon is ook weer zo’n gedoe met alles opnieuw instellen, installeren. De “oude” telefoon waar we de New Zealand sim in gedaan hebben is eigenlijk nieuwer dan die van mij. Ik gebruik mijn telefoon hier heel weinig, je zou dan denken dat het makkelijk zonder kan, maar toch is het fijn dat ie het weer doet.

De rust pakken is vooral handig, omdat we deze avond een excursie op het programma hebben staan. We gaan Kiwi’s proberen te spotten. Dat is dus een van die vogels die niet alleen een bijzondere naam hebben, maar ook een heel bijzondere evolutionaire ontwikkeling doorgemaakt hebben, niet gestoord door invloeden van buitenaf zeg maar. Het is bijna een kruising tussen een zoogdier en een vogel. Sowieso is het een vogel die niet kan vliegen. Het heeft alleen proto-vleugels. Maar het heeft ook een lagere temperatuur in vergelijking met andere vogels, het heeft ook botten met merg, in plaats van holle (honingraat) botten. De veren zijn haarachtig, waardoor het aanvoelt alsof het een vacht in plaats van een verendek heeft. Het heeft ook (zij het kleine) uitwendige oren, waarmee het heel goed kan horen. Zien kan het dan weer minder. Het dier is bijna stekeblind. Erg handig voor een nachtdier. Ruiken kan het dan ook weer goed, deels omdat de neusgaten aan het uiteinde van de puntige snavel zitten. Ook bijzonder is dat de eieren die het legt zo groot zijn dat ze ongeveer 25% van het lichaamsgewicht van de vogel uit kunnen maken. De vogels broeden overigens wel samen (mannetje, vrouwtje, maar soms ook eerder nageslacht) hun eieren uit, maar zodra het jong uit het ei komt moet het zichzelf maar zien te redden. Wat dat betreft is de mens ook wel bijzonder. Hoe lang duurt het wel niet voordat een kind eindelijk eens een beetje voor zich zelf kan zorgen? Bizar lang.

We moeten wel een eindje varen om bij de plek te komen waar we op zoek kunnen naar deze bijzondere vogel. Dat doen we niet via de kortste weg. We varen langs een aantal specifieke plekken om bijzondere dieren te zien. We zien albatrossen, een witte geeloog pinguïn, een vogelsoort die zo’n zure ontlasting heeft dat ze het als kolonie gepresteerd heeft om een heel rotseilandje te ontdoen van zijn boom begroeiing. De mens is kennelijk niet de enige met destructieve neigingen. Met de bomen is ook een heel ecosysteem aan vogels verloren gegaan. Die vogels werden bestudeerd door een amateur ornitholoog die op dat eilandje woonde en 15 tot 20 uur per dag aan vogels aan het bestuderen was. Poef, weg levenswerk, door een of andere stomme vogel….

De duisternis begint in te vallen en we krijgen de laatste instructie voor we van boord gaan om door het donkere bos te gaan lopen. Iedereen een zaklamp om nog een beetje te zien waar je je voeten neerzet of je hoofd tegen stoot. Niet om het bos in te schijnen- Kiwi’s zoeken moet je aan Kiwi’s overlaten. Alhoewel de gids die ons groepje leidt als ik me niet vergis Australisch is. Ze spreekt wel Maori. Rood licht betekent dat er een Kiwi gespot is. De groep voor ons brieft via de portofoon dat er een vlak bij het pad zit, amper 100 meter van het punt waar de boot aangemeerd ligt. Marije en ik lopen achteraan en missen daarom in eerste instantie een blik op de vogel. De gids doet echt onwijs haar best om ons ook het dier te laten zien. Het blijft namelijk gewoon in de buurt rondscharrelen. Dat hoor je. Het is ergens achter de eerste laag varens, je kunt horen dat het op minder dan twee meter van ons vandaan is. Uiteindelijk zien we dier, vlak voor het echt de benen neemt. De tocht is nu al geslaagd, want een Kiwi zien is geen garantie.

Het mooiste moet echter nog komen: we zien nog een Kiwi en die scharrelt onverstoorbaar rond terwijl wij, met beide groepen van 8 personen, op enkele meters afstand het beest volgen. Het beest lijkt zich niet te storen aan het rode licht – kennelijk kan het dat niet waarnemen. Het port en pookt in de grond, drukt z’n snavel en bijna een deel van z’n kop de grond in op zoek naar een worm, waar het de trillingen van waargenomen heeft. Fascinerend om te zien.

We lopen door naar het strand. Zoals op bijna elk strand kunnen hier zeeleeuwen liggen, dus het strand wordt door de gidsen wel met een nachtkijker geïnspecteerd voor we het betreden. Als we net het bos uitlopen, schrikt de gids zich kapot – en niet onbegrijpelijk, want een paar meter naast het punt waar wij het bos uitkomen, zit overduidelijk een groot beest. Voor de duidelijkheid: je wilt niet per ongeluk op een zeeleeuw stappen, dat is echt geen goed idee. In het schijnsel van de zaklamp springt echter een verschrikt hert weg. Oh ja, die zitten hier ook….

Op het strand is het relatief licht. Alle zaklampen zijn uit, maar je kunt elkaar prima zien. Er staat een halve maan en de afwezigheid van strooilicht en een deels heldere hemel, geven ons een mooie blik op het sterrenbeeld Orion. De nachten zijn hier kort, en het wordt niet helemaal donker, net als in Nederland in Juni. Wat een verschil met de duisternis in Nederland….

Terug de duisternis van het bos in. Daar is het wel donker – erg donker. Zo nu en dan staan we stil, zaklampen tegen het lichaam zodat de gids met haar nachtkijker de omgeving kan scannen, maar ook beter kan horen of er een Kiwi in de buurt zit. Tweemaal een Kiwi zien is al veel, maar op de laatste meters voor we bij de boot terug zijn, loopt een Kiwi op het pad. Misschien dezelfde als de ene die we aan het begin zagen, maar 1 keer 2 of 2 keer 1 is voor Kiwi encounters even bijzonder.

De excursie begon om 20:15 en zou 3,5 uur duren. Als de boot vertrekt om terug te varen naar Half Moon Bay, is het al 0:28 – de excursie kan wel eens wat langer duren, maar dat is ook volstrekt ongemerkt gegaan. Ik had niet door dat het al zo laat was. Een supergeslaagde excursie.